Howest
Howest
 

DocSpace at Howest  >
7. Sociaal-agogisch werk >
7.d Toegepaste psychologie >
TP 2015 >

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/10046/1236

Title: Brussenparticipatie bij de residentiële behandeling van adolescenten op een kinder- en jeugdpsychiatrische afdeling: potentiële kracht?
Authors: Maenhout, Jelke
Issue Date: 14-Sep-2015
2015
Publisher: Howest, de Hogeschool West-Vlaanderen
Abstract: Deze bachelorproef beschrijft de potentiële kracht van brussen (dit begrip staat voor broers en zussen) gedurende de behandeling van een adolescent op een residentiële afdeling van een kinder- en jeugdpsychiatrie. Er zijn reeds heel wat interessante studies gepubliceerd rond de impact op een broer/zus van kinderen en jongeren met motorische, verstandelijke en/of zintuiglijke beperking op verscheidene vlakken ( zoals qualtity of life, coping stijl, interacties, …) (Moyson, 2004), (Giallo & Gavidia-Payne, 2006) (Graff, Neerly-Barnes, & Smith, 2008) (Powell & Ogle, 1985) maar slechts weinig over welke meerwaarde brussen kunnen betekenen binnen een therapeutische context. Ook op maatschappelijk vlak is dit onderwerp nog weinig besproken of heerst er een taboesfeer rond. (Swerts, 2014) Zo worden brussen soms “afgeschermd” van de therapeutische behandeling van hun broer/zus door hun ouders of zorgverleners. Dit met de gedachte dat ze al genoeg hebben geleden. Anderzijds hebben de ouders vaak schrik dat hun “probleemloze” kinderen besmet zouden kunnen raken of hebben de ouders twijfels over de hulpverlening. Het idee om met het gezin te komen naar de therapie roept regelmatig weerstand op. De ouders willen degenen die a priori geen probleem stellen beschermen maar het kind of de jongere raakt door deze tendens geïsoleerd tegenover de anderen (Tilmans- Ostyn & (Red.), 2008). Klinisch psychologe Karin Tilmans (kinderpsychologe en gezinstherapeute in het kinderteam CGG DE Pont) beschrijft het als volgt: “Ouders maken zich vaak ongerust over hoe het allemaal zal verlopen en worstelen soms met het feit dat ze therapeutische hulp inroepen. Al zouden ze als ouder hebben gefaald. Ze vrezen negatieve kritiek of hebben die al gekregen van familie, vrienden, collega’s of hulpverleners. Ze willen dus aftasten of de therapeut hun vertrouwen en dat van hun kind verdient alvorens ze hun hele kroost erbij betrekken. Als ze dan vaststellen dat de therapeut ook het vertrouwen van hun kind heeft gewonnen, zien ze het meestal wél zitten om de broertjes en zusjes mee te brengen» (Swerts, 2014,p.28-29). En wat is dan de mogelijke potentiële kracht van deze broertjes en/of zusjes gedurende de residentiële behandeling van de adolescent op een residentiële afdeling van een kinder- en jeugdpsychiatrische afdeling? Deze kwestie vormt het hoofdthema binnen dit onderzoek.
URI: http://hdl.handle.net/10046/1236
Appears in Collections:TP 2015

Files in This Item:

File Description SizeFormat
Bachelorproef Maenhout Jelke 15.pdf736KbAdobe PDFView/Open

All items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved.

 

DSpace Software Copyright © 2002-2006 MIT and Hewlett-Packard - Feedback